Het laatste nieuws

In herinnering aan Fred Lindeman

23 december 1932 – 24 januari 2017

Delen uit de tekst die Serge Stam op 30 januari 2017 uitsprak bij de herdenkingsbijeenkomst voor Fred Lindeman, vioolbouwer, -reparateur en –restaurateur te Amsterdam en (ere)lid van de NGV.

Fred was een aimabel mens. Oók een bescheiden mens –wars van dikdoenerij en betrouwbaar – maar boven alles aimabel. Toegewijd aan zijn werk, aan de vioolwereld en aan de musici. In de vioolbouwwereld was hij een voorbeeld voor ons allen, om zijn openheid, eerlijkheid en collegialiteit. Hij zat 25 jaar in het bestuur van de Nederlandse Groep van Viool- en Strijkstokkenmakers, 16 jaar als secretaris en 9 jaar als voorzitter. Ik denk dat alle vioolbouwers wel klanten hebben die niet terug zijn gekomen omdat ons werk niet naar hun zin was, we te onvriendelijk waren, te arrogant, te duur of te weet ik wat… Alleen Fred niet. Collega Christian Jünemann zei tegen me: ‘ik heb nooit een onvertogen woord over hem gehoord, niet van musici, niet van collegae’. Het is bijna niet voor te stellen bij een zo lang leven als reparateur, restaurateur, adviseur, taxateur en wat al niet meer.

Freds jeugd en zijn schooltijd werd danig in de war geschopt door de oorlog. Hij vertelde dat hij niet lang na de oorlog zijn HBS-diploma zo ongeveer cadeau kreeg, het was tenslotte niet zijn schuld dat hij zoveel gemist had. Na zijn daaropvolgende militaire dienst ging hij in de leer bij zijn vader, de vioolbouwer Jan W. Lindeman, die een atelier had aan de Uiterwaardenstraat in Amsterdam. Deze straat is met Freds hele leven verweven. Hier bleef hij na de dood van zijn vader in 1971 wonen, al verplaatste hij wel de winkel naar de Maasstraat. Hier heeft hij, tot haar overlijden op hoge leeftijd, met de van hem zo bekende toewijding voor zijn moeder gezorgd. Enige tijd na haar overlijden verhuisde hij het atelier met winkel weer terug naar de oude stek, die voor hem en velen van ons zo vertrouwd was.

Deze achtergrond zou kunnen doen vermoeden dat hij een huismus was, maar dat was niet het geval. Fred hield van reizen en dat begon al zo jong als de oorlog dat mogelijk maakte. Als jonge man van tegen de 20 ging hij vaak, eerst op zijn bromfiets, later met de auto, naar Mirecourt, het centrum van de Franse vioolbouw. Wat nu een reisje van een paar uur over de autoweg is was net na de oorlog een echte onderneming, zeker op een brommer. Hij vertelde over zijn vriendschappelijke contact met Louis Jeandel, de baas van Jeandel-Aubert die toen nog voor de hele wereld vioolkammen maakte. De oude Jeandel was een van de meest markante persoonlijkheden uit ons vakgebied. Fred deed me in zekere zin aan hem denken: Jeandel, die 89 jaar oud werd, was een wijs man waar rust en toewijding van uit gingen. Hooguit één probleempje was er in het contact met hem... Je kwam onmogelijk bij hem weg zonder minstens één glaasje Mirabel met hem te hebben gedronken, 60% of meer alcohol, en er was geen ontkomen aan, of het nou 10 uur in de ochtend was of 3 uur in de middag… Fred is Mirecourt tot op hogere leeftijd trouw gebleven. Jaarlijks reisde hij erheen, bezocht er collegae en logeerde er in hotel Burnel. Dat hotel paste bij hem: een aimabel en bescheiden hotel.

Cremona, de stad waar de vioolbouw ooit zijn culminatiepunt bereikte, was een ander regelmatig doel van zijn reizen. Hij onderhield er een heel vriendschappelijk contact met collega Matthijs Heijligers, we waren er samen met Jaap en Annelies Bolink voor de grote Stradivarius-tentoonstelling in 1987 en Fred en ik zijn er samen regelmatig naar de jaarlijkse tentoonstellingen geweest. Hij kon genieten van een fijne Italiaanse wijn, goed eten en meringue, schuimgebak na… Het leverde hem bij ons de bijnaam Alfredo Meringata op.

Ooit reisden we voor een tentoonstelling naar Mittenwald en we zakten met een groep internationale collegae door in een bar met de naam ‘die Hölle’. Het stelt me nu gerust dat hij daar al is geweest, hij zal er zeker niet nogmaals heen hoeven...

Maar uiteindelijk vond hij de bestemming toch vaak minder belangrijk; de verandering van decor was veelal voldoende motivatie om ergens heen te gaan. Hij reisde naar Wenen, Kopenhagen, of naar welke stad dan ook waarvoor er op dat moment een lastminutevlucht beschikbaar was. En misschien ging hij niet altijd naar alle musea, maar als het er was zeker naar het muziekinstrumentenmuseum.

Want zijn grote interesse blééf altijd de viool. Al vroeg verdiepte hij zich in de wereld van de instrumenten in de tijd van de barok. Hij bezocht musea en collecties, werkte nauw samen met belangrijke musici uit die wereld en ontwikkelde zich tot een van de belangrijkste kenners op dit terrein. Hij bouwde gemoderniseerde instrumenten terug naar de vermoedelijk originele staat en werd de steun en toeverlaat van de barokmuziekwereld. Hij importeerde voor hen van over de hele wereld de darmsnaren. Ook deze specialisatie wist hij, zoals zoveel, weer te relativeren: hij sprak vaak over 'onbespoten snaren' en soms gruwde hij van een lastige klant.

leurrijker nog dan zijn verteltrant was zijn 'pen'. Het was een genot een mail of een briefje van hem te ontvangen. Ik heb hem vaak gezegd dat er een schrijver aan hem verloren gegaan was, maar dat was maar ten dele waar. Samen hebben we geschreven aan een deel van het boek 400 jaar vioolbouw in Nederland. Daarvoor bekeken we bij ons thuis op de muur geprojecteerde dia’s van de vroege Nederlandse vioolbouw en discussieerden we over een f-gat dat dichter bij Boumeester stond dan bij Jacobs, wat vreemd was omdat de kop dichter stond bij Jacobs dan bij Boumeester… Het waren mooie momenten, leerzaam en vertrouwelijk. Voor dit boek schreef hij ook een artikel over de barokviool en assisteerde hij zijn vriend Johan Giskes, toen nog werkzaam bij het Amsterdams archief, bij het deel over de geschiedenis van de viool in Nederland.

Fred was het type mens dat met het klimmen van de jaren nauwelijks veranderde. Hij werd wel ouder maar bleef verder zichzelf: toegewijd aan de viool en zijn bespelers, altijd te porren voor een gezellig etentje met een glas wijn (bij voorkeur wit) en een cognacje na. Naarmate de jaren voortschreden, bouwde hij de werkzaamheden in het atelier steeds meer af. Hij was gewend staand te werken maar naast het lopen viel ook het staan hem steeds zwaarder. Het contact met de musici bleef en ook zijn bereidwilligheid om collegae te helpen door mee te denken over vragen betreffende het vak of de expertise. Fred is altijd bijzonder genereus geweest met zijn kennis en ervaring en het schrijven werd steeds meer de manier om zijn kennis te delen en over te dragen. In 2011 verscheen van zijn hand het boek the Rebirth of the Baroque Violin en nog afgelopen jaar volgde een boek met de titel Tussen grond- en boventonen.

Misschien illustreert een zo recent boek nog het best dat Fred tot het laatst toe actief gebleven is, met een heldere geest en vol toewijding. Toen wij hem in december de laatste keer bezochten, zagen we een broze oude man, een wijze oude man. Zijn wereld was klein geworden want hij liep nauwelijks nog en kwam het huis niet meer uit. Maar hij was monter en levendig van geest en zei tegen ons: ik heb ook nu eigenlijk best een fijn leven en ik kon in zijn ogen zien dat hij het meende...

Moge het ons allen tot troost zijn.